Theater de Garage

Columns

(Column - april/mei 2012)

Floriëfteling in Venlo

Een opmerkelijk verschijnsel. Rond enkele kruispunten in Venlo en Blerick ligt kunstgras.

Ik zag het aan de Molenstraat en aan de Eindhovenseweg. Misschien zijn er nog wel andere plekken ook. Amper een paar kilometer van het theater van de natuur, zoals de Floriade genoemd wordt, leggen wij plastic gras neer. Sommige mensen mopperen daarover. Waarover weer andere mensen mopperen dat het ook nooit goed is: hebben we een keer kunst in de stad, wordt erover gezeurd. In de stad die ooit de groenste van Europa was. Dat klopt dan weer wel, want groener gras dan dit kunstgras kun je nauwelijks hebben.

Mijn neef, die ondanks dat hij in Blerick woont soms verstandige dingen zegt, kwam met het briljante voorstel om kunstbloemen in het kunstgras te poten: ‘Onder de kunstgrasmat, met elk een elektromotortje. Als de tijd daar is, groeit dat motortje de plastic bloempjes boven het gras uit. Eerst krokussen, dan narcissen, meizoentjes. Na hun plastic bloeitijd trekken de motortjes ze weer naar onder in winterslaap. Da’s nou ’ns echt living theatre of nature.’

In stilte genoten we van de gedachte. Met ons geestesoor hoorden we het zacht zoemen van de motortjes, dat zo natuurgetrouw klonk als honingzoekende bijen.

‘En toch’, onderbrak ik ons gepeins, ‘dat alsmaar groen blijvende groen is misschien wel wat veel van het goede. Zou er niet een plastic te maken zijn, dat meekleurt met de seizoenen en het weer?’
‘Plastic gras, dat gelig wordt als het lang droog en heet is’, riep Neef. ‘In de winter van dat onbestemde bruin en in het voorjaar weer frisgroen. Geweldig! Dat wordt echt een mini-Floriade op onze kruispunten.’
‘Toch vind ik het maar saai’, pruillipte vrouw Anna en daar keken wij van op.

‘Ja, saai. Wat je eigenlijk moet doen: lampjes aanbrengen in die bloempjes. Van die led-lampjes die voortdurend van kleur veranderen, net als de voorgevel van Lagotronics. Dat is pas verrassend. En als je er ook nog plastic mossen tussen kunt frotten, laat je daar muziek uitkomen. Iets van André Rieu, bijvoorbeeld, dat is zo’n fijne man. Het moet gewoon een beetje meer Efteling worden. Hihi, Floriëfteling.’

Neef en ik keken elkaar aan en dat op vertwijfelde wijze.
‘Nee’, riep Neef, ‘nee, Anna, nee. Dat is zó onnatuurlijk.’

Onno P. Eensma

 

-------------------------------------------------------------

(Column - februari/maart 2012)

Op de barricaden

‘Wat een warverhaal’, zei vrouw Anna.

Ze had zojuist het bericht gelezen dat in de toekomst Noord-Limburg één regionale schouwburgorganisatie krijgt met een absolute topprogrammering, onderscheidend en spraakmakend. De Maaspoort legt zich dan toe op een grootstedelijk cultureel profiel, aansluitend bij het in de regio aanwezige internationale bedrijfsleven, de studentenpopulatie en de creatieve klasse.

Schouwburg Venray wordt een kwalitatief hoogstaand podium en podia in Panningen en Gennep specialiseren zich in volkscultuur. De tekst was ontleend aan de toekomstvisie ‘Regio in balans’ van de zes regiogemeenten. Opvallend genoeg geen woord over beeldende kunst.

Vrouw Anna had de krant nog niet opzij gelegd, of cultuurwethouder Jos belde aan: ‘Meneer Onno, we moeten eens praten.’ Hij zag een beetje pips. Gevraagd wat er loos was, gebaarde hij naar de krant: ‘Dat daar.’ ‘Dat komt van uw eigen ambtenaren’, zei ik.

‘Beléidsambtenaren’, verbeterde hij met een zucht. ‘Beleidsambtenaren zijn geleerde mensen die met een kraam vol klinkende woorden een wensbeeld en een denkkader construeren. Het denken dat daarbij hoort, moet ik zelf doen.’

Wethouder Jos slikte: ‘Maar ik weet niet wat ervan te denken. Wat bedoelen ze met onderscheidend? Onderscheiden waarvan? Van Roermond, Maastricht, de Randstad? Wat betekent kwalitatief hoogstaand? Waar houdt het internationale bedrijfsleven van? En ik heb gegoogeld op ‘wat willen studenten’, maar dat schoot ook niet op.’

‘Misschien is het heel simpel’, zei ik. ‘We halen het Holland Festival hierheen, het North Sea Jazz Festival, alle premières van het Nederlands Danstheater, het Nederlands Kamerkoor, het Concertgebouworkest, het Asko|Schönberg en de Robeco Zomerconcerten. Om maar wat te noemen.’ ‘Zou dat lukken, denkt u meneer Onno?’, weifelde hij hoopvol. ‘Ach, we hebben de Floriade van de Randstad gejat, dan moet dat hiermee ook lukken. En dat publiek. Ach, dat lost marketing wel op.’ Hij herademde.

‘Er is alleen één probleem, wethouder Jos.’ Hij schrok.
‘Ja’, hervatte ik, ‘de volkscultuur. Die gaat naar Panningen en Gennep. Het VSO, VGK Zanglust, de Venlose Revue, Tosjopa, Volkstheater Frans Boermans. Allemaal de stad uit.’

‘Misschien als we dat goed uitleggen?’ probeerde hij.
‘Ja, dat lost marketing wel op’, zei ik, ‘maar dan nog krijgen we revolutie. Vastelaovend is ook volkscultuur. Dus Hofbal, Boéremoosbal, Prônkzitting, noem maar op, alles … ’

‘Dat wordt Jocus op de barricaden’, fluisterde wethouder Jos bevend. ‘Ik moet er niet aan denken. En wat moet er wel niet van mij worden, meneer Onno?’

‘Een enkele reis kaetelgerich, vrees ik. Maar de beleidsambtenaren gaan vrijuit natuurlijk.’
 

Onno P. Eensma

 

-------------------------------------------------------------


(Column - juli / augustus 2011)

Die Beschränkung des Meisters

Het meest schokkend was die rouwstoet. Zes mannen met op de schouders een doodskist. Erachter de treurende nazaten. In het zwart.
De stoet was onderweg naar de volksvertegenwoordiging. De teraardebestelling betrof het zojuist om zeep geholpen kunstklimaat. Het was schokkend.

Niet dat ik ondersteboven ben van een rouwstoet in het algemeen. Rouwstoeten houden de wereldbevolking nog enigszins op peil. Nee, de schok betrof de rouwenden. Dat waren kunstenaars. Om precies te zijn: acteurs in opleiding aan de toneelschool in Maastricht. Hoe lang zouden die nieuwe talenten hebben gebrainstormd, met hun creatieve breinen? Hoe opgetogen zullen ze geweest zijn over die geweldige vondst om hun diepe verontwaardiging en verontrusting over de barbaarse cultuurkaalslag creatief vorm te geven als een rouwstoet? Dit zou ze leren, die volksvertegenwoordigers! Het zou die Halve van Zijlstra dun door de broek denderen! Het protest zou een onneembare horde worden voor de cultuurslachters: no pasarán! Ja, het was schokkend.

Hoe lang loop ik al mee in deze wereld? In al die jaren ben ik via de media geïnformeerd over talrijke golven van protest tegen van alles en nog wat. Hoe vaak werd er niet een doodskist het Binnenhof op gedragen, voor het provinciehuis gezet, of bij een daadkrachtige wethouder op de stoep gedumpt in verband met de teloorgang van de wereldvrede, de sociale zekerheid, het dierenwelzijn, of de leefbaarheid in de buurt? Ik heb hun aantal niet geteld. Het moeten er tientallen zijn. En uitgerekend met zo’n originele doodskist komt de aanstormende creatieve klasse van ons land de verguring van het kunstklimaat aan de kaak stellen. Goed, het waren studenten en misschien waren het nog maar eerstejaarsjes, maar als studieleiding bescherm je die kinderen dan toch tegen zichzelf?

Diezelfde dag was er ook een kunstenaar die – uitgekleed tot op zijn slip – de volksvertegenwoordigers toesprak over het feit dat de cultuursector – nu komt de creatieve gedachtesprong – zich uitgekleed voelde. Ook nog noooooit vertoond.

Ik geef toe, het is allemaal minder stuitend dan een bedompt zaaltje vol middelbarebuikmannen die, met veel gelijk aan hun zijde en vakbondspetjes op het hoofd, handenklappend ‘aksie, aksie’ scanderen. En ik weet ook, de ware kunstenaar weet: in der Beschränkkung zeigt sich der Meister, dus het valt te snappen dat die studenten er weinig werk van hadden gemaakt.

Trouwens, in die zin toont de Halve van Zijlstra zich een volbloed kunstenaar: hij beschränkt en beschränkt … tot de hele sector erbij neervalt. Een meester in het minimalisme, want in tegenstelling tot de meeste bewindslieden doet hij niet meer met minder, nee, de Halve doet consequent minder met nog minder. De Beschränkung als denkmodel – in zijn uiterste consequentie doorgevoerd betekent dat het volstrekte niet-denken. De Halve beoefent dit niet-denken met verve.

Het moet gezegd: die staat van ontbinding hadden de protesterende studenten dan nog niet bereikt, maar het is te hopen dat ze nog een jaartje mogen overdoen, anders vrees ik het ergste voor het toneel van morgen.

Onno P. Eensma


-------------------------------------------------------------

 

(Column - mei / juni 2011)

Nu even ongebonden

Dit is geen commercial. Half mei wordt in De Garage een tweeluik gespeeld van Maria Goos. Het ene luik heet Nu even niet en is voor vier mannen. Het andere Nu even wel, voor vier vrouwen. Meer zeg ik niet, want dit is geen commercial. Waarom ik dan toch over die voorstelling begin? Omdat er vaak zo veel leed achter dergelijke producties schuilgaat.

Natuurlijk, die tekst van Goos is subliem. Zoals het meeste wat zij maakt min of meer subliem is, naar men zegt. Maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is het gezelschap spelers. Dat bestaat namelijk niet. Althans, het bestaat maar tijdelijk. De groep is door de regisseur samengesteld speciaal om dit stuk te kunnen spelen. Ze vormen geen vereniging, of club, of stichting. Enkele horen zelfs bij geen enkel ander speelverband, omdat ze er niet van houden dat alle leden altijd elke keer een rol moet krijgen, omdat het anders zo zielig is. Ze zijn liever informeel ergens bij.

In het jargon noemen ze zoiets een vrije productie. Daar hebben we er niet veel van in onze omgeving en dat geringe aanbod leidt soms tot schrijnende toestanden. Want wie nergens lid van is en toch graag speelt, moet maar zien dat hij aan zijn trekken komt. Er zijn gevallen bekend van niet-verenigden, die soms maandenlang nagelbijtend bij de telefoon zitten, hongerend en dorstend naar die ene verlossende vraag: ‘Zeg, wil jij…’ ‘Jaaaaaa!’ Hoe langer het wachten duurt, hoe minder het kritisch vermogen, want het spelersbloed kruipt waar het niet gaan kan. ‘Wat fijn dat je me vraagt. Wat is het eigenlijk?’

Ik heb eens over iemand gehoord, die na zes maanden hunkeren bij telefoon, brievenbus en mailbox sterk vermagerd en geheel verzenuwd een gat in de lucht sprong, toen ze hem vroegen om twee minuten als Dorische zuil te verschijnen in een quasi-Grieks drama in het patronaatsgebouw van Swolgen-Oost. Hij vierde het als de rol van zijn leven: niemand zou glansvoller voor zuil staan. Een godsgeschenk voor een ongebondene. Maandenlang droomde hij ervan een Louis d’Or in ontvangst te mogen nemen.

Nu hoeven de spelers van het Goos-tweeluik zich nergens voor te schamen. Zoals ik al schreef: subliem stuk. Maar voor hetzelfde geld staan diezelfde spelers na deze vrije productie weer maandenlang droog. Een nauwelijks herkend sociaal drama, dat natuurlijk een enorme weerslag heeft op de huisgenoten van betrokkenen. Drankmisbruik, huiselijke mishandeling, echtscheiding en brekend vaatwerk. Ik denk dat we ons het lot van deze medemensen moeten aantrekken. Daarom stel ik voor om een vereniging op te richten voor niet-verenigden en niet-verenigbaren, zodat ze in elk geval gegarandeerd eenmaal per jaar ergens op het toneel staan.

Onno P. Eensma


-------------------------------------------------------------

(Column - februari/ maart 2011)

Altijd weer die subsidies

Op mestvaalten en puinhopen groeien vaak de mooiste bloemen. Zo bezien zou de barbaarse snoei- en sloopwoede van dit kabinet Wilders een aardige ruiker moeten opleveren. Daar lijkt het echter nauwelijks op. In het decembernummer van Theater, het clubblad van de Nederlandse Vereniging Amateurtoneel, overziet Lonneke Kok het slagveld.

Uitvoerig beschrijft ze de kommer en kwel die met dit kabinet over ons komen: de botte bezuinigingsdrift, het leeghoofdige dedain waarmee van rijkswege over cultuur gesproken wordt, de schaamteloze btw-verhoging. Ongeveer 85 procent van haar ruimte besteedt Kok hieraan. Als we er bijna aan ten onder gaan, signaleert ze een sprankje hoop. Want misschien komt de regering met beleid, waardoor de amateurs meer zouden kunnen gaan samenwerken met de professionals. Kwaliteitsbevordering dus. Prachtig. Mooi.

Mij stemde het relaas buitengewoon somber. Natuurlijk zou het prachtig zijn om wat meer tegen de professionele gezelschappen aan te schurken. Het amateurtoneel kan over het algemeen wel wat impulsen gebruiken en veel spelers hebben daar ook behoefte aan. Nogmaals: prachtig en ook mooi. Maar de hoop in sombere tijden moet voor de amateurkunsten kennelijk van elders komen: van Mama Overheid die beleid moet baren en van Grotebroer Professional die ons aan de hand moet nemen. Niet van eigen kracht.

Want waar toch is ons elan gebleven? Waarheen is de creativiteit gevlogen die ons vleugels gaf? Ik herinner me nog als de dag van gisteren de tijd dat we de verkleedkist van zolder haalden en farao-met-slavenleger speelden, wat toen nog niet politiek incorrect was. Mijn broer farao en ik in een dubbelrol als duizend slaven en Mozes en Aäron. Een hagelslagregen als een van de zeven plagen, wat moeder niet leuk vond – maar die had nu eenmaal geen fantasie, dus het talent moeten we van ons vader gehad hebben. Ze wist nog net te voorkomen dat we in de badkamer de Rode Zee magistraal in scène zetten.

Verbeeldingskracht. Daar ging het om in ons jonge acteursleven. Zorgvuldig schaafden we aan ons talent. Urenlang oefenden we in doodliggen. En hoe vaak kwamen we niet op de maan? Dat waren nog eens tijden. Nu gaat het alleen maar over subsidie.

Ja, ik weet wel dat ik nu klink als de Halve van Zijlstra, maar die man heeft een punt. Kunstenaars horen op een tochtige zolderkamer te wonen en net niet te sterven van honger en dorst. De mooiste bloemen bloeien vaak in de sloppen der uitzichtloosheid, waar de keuze tussen een bete broods en de eredienst aan de muze immer uitpakt ten faveure van de muze. Want in de benauwenisse des levens wordt de geest vaardig en borrelt de ware inspiratie op als een moerasgas.

De ware kunstenaar maalt niet om geld. Doet Zijlstra zelf ook niet. Hij neemt genoegen met minder dan een schamele anderhalve ton per jaar en horen we hem klagen? Trouwens, had God subsidie toen hij de wereld schiep? Nou dan.

Onno P. Eensma

-------------------------------------------------------------

(Column - november / december 2010)

Mystieke Wildernis

Het regeer- en gedoogakkoord van kabinet Wilders bevat ook lectuur over cultuur: zeker een halve bladzijde van de totaal ruim zestig.

‘De overheid’, zo lees ik, ‘schept condities op het gebied van kunst en cultuur die de kwaliteit verhogen en de toegankelijkheid waarborgen. Uitgangspunt is dat in alle regio’s een hoogwaardig cultureel aanbod blijft bestaan.’ Vijf regels verder vervolgen de Wildebrasjes met groot gevoel voor consistentie: ‘Er wordt bezuinigd op de middelen voor kunst en cultuur.’

Uiteindelijk gaat het om structureel 200 miljoen vermindering. Erfgoed en bibliotheken worden ontzien, zodat het vooral op de podiumkunsten neerkomt. Ook wordt de btw op toegangskaartjes verhoogd van zes naar negentien procent. Vanwege die toegankelijkheid natuurlijk.

Verder, schrijft het akkoord voor, worden culturele instellingen en kunstenaars meer ondernemend en gaan ze een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Met datzelfde gevoel voor incontinentie als hiervoor worden de fiscale voordelen van beleggen in cultuur- en andere ideële fondsen afgeschaft. Regelingen waarvan uit onderzoeken van KPMG en CE Delft blijkt dat ze meer opleveren dan ze de overheid kosten, maar je kunt als Wildvreemden nu eenmaal niet alles weten als je gaat regeren.

Hoe dit alles de condities moet scheppen voor kwaliteitsverhoging in kunst en cultuur is niet direct duidelijk, maar persoonlijk houd ik wel van een dergelijke mystiek. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat geloof bergen verzet – dus niet de bulldozer.

Dit betekent dat de werkelijkheid er minder toe doet dan de zalvende woorden die men daarover prevelt. Zo is het eigenlijk ook met de spirituele bezweringen in de plannen van de Wildplassers: ze hebben het goede met ons voor en knijpen ons derhalve de strot dicht. Er is ongetwijfeld ergens een steen der wijzen te vinden die dit begrijpelijk maakt.

Moeten we intussen klagen? Ja. We moeten klagen, ageren, stampvoeten, wenen, knarsetanden, protesteren, chagrijnig zijn, petities ondertekenen, de p in hebben, vloeken, schelden, tieren en de wenkbrauwen fronsen. Want er zal beslist het een en ander kaalslaan. Maar laat ons niet verzuren. Laat ons blijven doen waar we goed in zijn.

Laat ons blijven brengen wat van waarde is. Laat ons verder gaan met ons daarin te ontwikkelen en laat ons het initiatief houden. Centen kunnen ze ons afpakken, onze geest is soeverein.

Maar dat zijn natuurlijk linksige geloofsartikelen.

Onno P. Eensma

-------------------------------------------------------------

(Column - augustus / september 2010)

Linkse hobby

G.W. vond de term Linkse Hobby’s uit en dagblad De T. nam het gretig over. Ontwikkelingshulp is zo’n Linkse Hobby. Net als prettig samenleven met immigranten. Kunst en cultuur ook. Linkse Hobby’s zijn fout in de ogen van Rabiaat Rechts en mogen geen overheidssteun meer ontvangen.

Al die 55 duizend mensen die in juni op Terschelling Oerol bezochten, beoefenen dus een Linkse Hobby. Foute mensen. Evenals al die bezoekers van het Holland Festival, Lowlands, Klassiek op Locatie, Zomerparkfeest en het Nederlands Film Festival: foute mensen. Bezoekers van het LSO, bijvoorbeeld, zien er ook heel erg uit als Linkse Mensen. Ze dragen nog net geen Hoofddoekje. Vermoedelijk is Rembrandts Nachtwacht stiekem ook links geschilderd. Net als Da Vinci’s Laatste Avondmaal.

Ik vind het wel fijn om niets te horen over Rechtse Hobby’s. Het verschil is dat Rechtse Hobby’s niet gesubsidieerd worden. Hooligans bijvoorbeeld. Slaan elkaar de hersens in (of de substantie die daar bij hen voor doorgaat). Buitengewoon nuttig, maar zonder subsidie. Hooguit is er personele ondersteuning door de Mobiele Eenheid. En dan die types die speculeren tot de banken erbij neervallen. Ook een Rechtse Hobby. Ze houden de winst en de samenleving ruimt hun rotsooi op, maar dat is tenminste geen subsidie.

Het voordeel van Linkse Hobby’s schuilt in hun afschafbaarheid. Ook Venlo bewijst dat. Het college wil de percentageregeling voor kunst in de openbare ruimte liefst helemaal kwijt. Made in Venlo hinkt nog wat door nu Theater de Garage van de gemeenteraad een plek moet krijgen in het nieuwe poppodium. Hebben theater en pop straks elk aparte zalen, of moeten ze stuivertje wisselen omdat dat op de korte termijn goedkoper is? De voorheen linkse PvdA wil de plannen voor het Museumkwartier afslanken. Bezuinigen op kunst is geen Linkse Hobby.

Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr schreef in zijn Manifest van Terschelling: kunst is maar een bijproduct/ zij is niet nodig om te kunnen/ eten, neuken, ademen/ maar één ding kan ze/ zij kan vechten waar ik vlucht/ zij kan, met haar ene giftand/ zij het voor een kort moment/ mij redden van de eeuwigheid.
Linkse Praatjes natuurlijk. Onderteken dat vooral niet op www.manifestvanterschelling.nl.
Overigens: dat vermaledijde Oerolfestival draagt veertig miljoen euro bij aan de Economie van Terschelling. Linkser moet het niet worden.

Onno P. Eensma

-------------------------------------------------------------

 

(Column - april / mei 2010)

Jong en onverschrokken

De meeste van mijn leeftijdgenoten hebben hun jeugdjaren al lange tijd achter zich. Dat is geen bijzondere prestatie van hen en het kan hen ook niet werkelijk verweten worden. Het is nu eenmaal een goed gebruik in dit leven dat een mens ouder wordt naarmate zijn jaren vorderen. Men leeft zo’n beetje op zijn kist aan - rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Er zijn er wel die zich daartegen verzetten met hulp van botox, sportschoolbezoek of een virtueel bestaan op Second Life.

Met de wijsheid van nu willen ze het lichaam van toen. Nu direct en vandaag nog, want ach, wat hebben we niet allemaal moeten missen. Er zijn er die om die reden vinden dat ze te vroeg geboren zijn en die nu in alles jong willen zijn. Dat lijkt me helemaal niks.

Jongeren van nu zitten voortdurend op internet, msm, mms, webcams, hyves, twitter, facebook en ander hedendaags ongerief. Stapelzot zou ik ervan worden. Ik zag van de week een meisje fietsen. Losse handjes, want in elke hand een mobiele telefoon. Waarschijnlijk stuurde ze zichzelf een sms’je over een internetdate. Inmiddels liet ze de zorg voor haar veiligheid over aan de andere weggebruikers. Dat onverschrokken vertrouwen ontroerde me plotseling. Vroeger was je voorzichtig, wat een bekrompen levensvisie verraadt, maar je had nu eenmaal dat vertrouwen niet.

Wat je vroeger ook niet had, was jongerentheater. Ja, je had schooltoneel. De hoogste klassen speelden een Griekse tragedie of een drama van Shakespeare of Vondel. Jongerentheater, zoals het nu al vijftien jaar in Theater de Garage bijna elk jaar tot stand komt, is anders. Niet de leraar Nederlands, maar een professionele regisseur gaat met jongeren aan de slag. Soms ook met een klassiek stuk, maar dan in een vorm waarvan geen classicus ooit durfde dromen. Meestal is er geen stuk, maar alleen een idee, een uitgangspunt, dat wordt uitgewerkt. Het stuk dat deze maand speelt, gaat over het onbeduidende grensstadje V., dat men landelijk nog niet eens een imago toekent. V.? Vaag weleens van gehoord. Een provinciestad die kennelijk niet ter zake doet. Je zult er maar jong zijn. Zoiets.

Negen jongeren hebben er maanden op los geïmproviseerd. Met onverschrokken vertrouwen. De stukken vlogen ervan af. Het werd een stuk dat niet eerder vertoond is en dat door geen andere groep hernomen kan worden. Nee, dat had je vroeger niet. Ach, was ik maar later geboren.

Onno P. Eensma